Blogs van John

John Greijmans is interimmanager en consultant. 

Integriteit als keuze, zoektocht en voorbeeld

Begin oktober raken drie coalitiepartijen, VVD, D66 en GroenLinks in het College van B&W in Den Haag met hun coalitiegenoot Groep de Mos. Dit omdat twee wethouders van die groep, waaronder de loco-burgermeester werden verdacht van corruptie en omkoping. Verder, maar los daarvan komt de grootste partij van Nederland al jaren veelvuldig in het nieuws vanwege integriteitskwesties rond partijleden. De VVD heeft zelfs een telefonische helpdesk opgezet waar leden terecht kunnen voor overleg en advies over ethische kwesties. 

1            Wat is integriteit?         

1.1         Goed en kwaad

1.2         Waarden en Normen    

1.3         Ethiek en Moraal            

2            Volg de regels  

2.1         Goddelijke Geboden     

2.2         Menselijke Geboden    

3            Als je Bedoeling maar Goed is  

4            Het Doel Heiligt de Middelen  

5            Je Karakter moet Goed zijn       

5.1         Socrates: ken jezelf       

5.2         Plato: volg je verstand  

5.3         Aristoteles: wees voortreffelijk

5.4         Confucius: wees menselijk         

6            Integer worden en integer blijven         

6.1         Integriteit is een Keuze

6.2         Integriteit is een Zoektocht       

6.3         Integriteit is een Voorbeeld      

Maar ook buiten politiek en overheid zijn er veel aanwijzingen voor en gevallen van schending van integriteit. Een voorbeeld is de medewerker die voor een groot bedrag aan gereedschappen steelt van zijn werkgever. Dat op zich is geen integriteitskwestie, het is simpelweg een strafbaar feit. Het integriteitsconflict gaat over iets anders: zijn collega's wisten ervan, maar deden niets. Zij stonden voor een dilemma: het misdrijf aangeven en hun collega verraden, of niets doen en daardoor hun werkgever schade berokkenen. Zij kozen voor niets doen, maar is dat integer handelen? 

Mede door bovengenoemde incidenten gaat het wanneer we over integriteit praten bijna altijd over een gebrek daaraan, waardoor het onderwerp al snel een negatieve lading krijgt. Dat is jammer, want niemand is tegen integriteit. In dit artikel kies ik daaro voor een positieve benadering, en stel ik twee vragen centraal: Wat is integriteit? En hoe kunnen we integer worden en blijven? 

Een integer persoon is eerlijk en betrouwbaar, laat zich niet omkopen en wil over zijn gedrag en keuzes verantwoording afleggen. 

 

1          Wat is integriteit?

Zoeken we de term integer op in het woordenboek, dan vinden we synoniemen als betrouwbaar, eerlijk of fatsoenlijk. Het woord integriteit is ontleend aan het latijn waar het heelheid of ongeschondenheid betekent, maar in ons dagelijks spraakgebruik zien we integriteit eerder als een karaktereigenschap. 

Een integer persoon is iemand die vasthoudt aan waarden en normen, ook als hij of zij van buitenaf onder druk staan. Een integer persoon is eerlijk en betrouwbaar, laat zich niet omkopen en wil over zijn gedrag en keuzes verantwoording afleggen. Een integer persoon bezit dus de juiste afstemming van wat goed is en wat slecht, van wat waar of niet waar is, en van wat juist of verkeerd is. Maar wat is goed en kwaad is? En wie is degene die bepaalt wat juist of verkeerd is? En op basis van welke criteria en maatstaven? 

1.1         Goed en kwaad

De begrippen goed en kwaad verwoorden een tegenstelling of spanning die in veel religies, filosofieën en mythes wordt aangetroffen. Denk bijvoorbeeld aan de strijd tussen Jahweh en Satan in de bijbel, of de oorlog in Middelaarde tussen Sauron’s leger aan de slechte, en de coalitie van hobbits, mensen en elfen aan de goede kant. In de filosofie staat het goede voor dat wat met instemming wordt begroet en dus positief wordt geëvalueerd. Het kwade is dan iets wat negatief wordt gewaardeerd.  

Een goede definitie van goed is overigens moeilijk te geven. We zouden kunnen zeggen dat wat is of wordt goedgekeurd, ook daadwerkelijk goed is. Maar daarmee zeggen we niet veel meer dan dat wat goed is, ook goed is. Raadplegen we wederom het woordenboek, dan vinden we synoniemen als correct, foutloos of juist. Maar die termen brengen ons niet verder als we willen begrijpen wat goed echt is. Om concreet inhoud te geven aan de termen goed en kwaad moeten we daarom naar onze waarden en normen kijken. Een waarde is namelijk iets wat wij belangrijk of waardevol vinden, en een norm is van een waarde afgeleid. 

1.2         Waarden en Normen

De termen waarden en normen worden vaak in één adem genoemd, maar er is een belangrijk onderscheid. Normen zijn gedragsregels die voorschrijven hoe we in ons in een bepaalde situatie moeten gedragen. Het zijn veelal ongeschreven richtlijnen hoe we sociaal gewenst met elkaar om willen gaan. In Nederland is het bijvoorbeeld de norm dat je iemand aankijkt tijdens een gesprek, of dat mannen en vrouwen gelijk worden betaald voor hetzelfde werk. 

Waarden hebben een diepere betekenis; ze worden waardevol gevonden door iemand, een groep mensen of de samenleving als geheel. Het betreft daarbij vaak één enkel woord, zoals eerlijkheid, respect of gelijkheid. Normen zijn de vertaling van een waarde in gedragsregels. Wat wij als normaal zien (de norm), komt voort uit een overtuiging die wij hebben (de waarde). Zo getuigt elkaar aankijken van respect en weerspiegelt gelijk worden betaald voor hetzelfde werk, de fundamentele gelijkwaardigheid van mensen. 

Bij de vragen van wat goed is en wat is kwaad, en wat bepaalt of iets goed of kwaad is, gaat het primair over onze achterliggende waarden en secundair over de daarvan afgeleide normen.

Waarden krijgen we mee vanuit de cultuur waarin we opgroeien, en we kunnen die daarom niet zomaar even veranderen. Al zouden we het al willen, dan nog gaan er vaak generaties overheen voordat we iets als een fundamentele waarde zien. Normen kunnen we wel redelijk snel aanleren. Natuurlijk verbaast het ons, als in een ander land jongeren niet opstaan voor ouderen in de bus en dat vrouwen wel opstaan voor mannen, maar we kunnen kiezen om, al dan niet, aan die norm mee te doen. We passen ons gedrag dan aan, aan de normen van onze nieuwe omgeving. Het blijft echter wel aangeleerd gedrag. We weten hoe het hoort en we gedragen ons er naar, maar we zijn niet echt en daadwerkelijk overtuigd van de achterliggende waarde. 

1.3         Ethiek en Moraal

Bij de vragen van wat goed is en wat is kwaad, en wat bepaalt of iets goed of kwaad is, gaat het primair over onze achterliggende waarden en secundair over de daarvan afgeleide normen. Binnen de filosofie, houdt de ethiek zich bezig met wat onze goede of kwade daden, levensstijl en gedachten zijn, en is daarbij vooral gericht op wat de maatstaf is om goed van kwaad te onderscheiden. Moreel is dan iets wat goed en nastrevenswaardig is, maar wat maakt een handeling nu goed?  

In de navolgende paragrafen behandel ik enkele criteria die ons kunnen helpen bij het bepalen wat goed is, en hoe we ons op basis daarvan zouden moeten gedragen. Achtereenvolgens ga ik in op menselijke en goddelijke regels als maatstaf voor moreel handelen, en daarna op twee theorieën, het consequentialisme en de deontologie, die aangeven hoe we zouden moeten beslissen om het goede te doen. Tot slot ga ik in op hoe goede karaktereigenschappen kunnen bijdragen aan goed handelen. 

 

2          Volg de regels

Een regel is een voorschrift over hoe we ons in een bepaalde situatie moeten gedragen, of wat we in een bepaalde situatie juist niet moeten of mogen doen. Als we ons aan de regels houden, houden we dus de voorschriften in acht. Het begrip regels is overigens breder dan de term norm. Normen zijn niet altijd schriftelijk vastgelegd en regels normaliter wel, soms in de vorm van wet- en regelgeving. Kenmerkend voor regels is bovendien dat er sprake is van een autoriteit die de regels heeft ingevoerd en kan handhaven. 

2.1         Goddelijke Geboden

De goddelijke bevelstheorie gaat er vanuit dat een of meerdere goden de bron van het leven zijn, en daarmee de basis vormen voor de wet, de rede en het goede. De bekendste regels in dit verband zijn de tien geboden; de voorschriften uitgevaardigd door de Abrahamse god die moeten worden opgevolgd, op straffe van eeuwige hel en verdoemenis. 

Een vooronderstelling en daarmee een zwak punt van de bevelstheorie, is dat er minimaal één god bestaat, en dat die god of goden goed zijn. Geloof je niet in god of goden, dan heeft de goddelijke bevelstheorie als zodanig geen betekenis. Maar geloof je wel, dan moet je nog altijd de vraag beantwoorden of je god of goden het goede vertegenwoordigen? En daar ligt een ander probleem. Bij polytheïstische godsdiensten zijn de goden het namelijk niet altijd met elkaar eens, en bij monotheïstische godsdiensten is het vaak zo dat er binnen één en dezelfde religie verschillende interpretaties zijn. Bovendien wordt het probleem van het al dan niet goed zijn van een opperwezen vaak weg gedefinieerd door te vooronderstellen dat die god liefdevol, altruïstisch en dus goed is. 

Naast bovengenoemde existentiële problemen zijn er ook morele bezwaren tegen de goddelijke bevelstheorie. Moraliteit vereist namelijk dat we vrijelijk kunnen kiezen naar welke waarden we leven en welke normen we volgen. Moraliteit kan dus nooit worden afgedwongen. Een moreel leven wordt geleid omdat moraliteit wordt gewaardeerd, en niet om straf te vermijden of een beloning te ontvangen.  

Een ander, zowel moreel en existentieel probleem wordt verwoord in het Euthyphro-dilemma. In de gelijknamige dialoog van de Griekse wijsgeer Plato (427 – 347 BCE) wordt de volgende vraag gesteld: is een handeling goed omdat de goden die actie bevelen, of bevelen de goden een actie omdat deze goed is? Het eerste kiezen impliceert dat alles wat de goden doen moreel goed is, zelfs als zij ons opdragen iemand te martelen. Wordt het tweede gekozen, dan is moraliteit niet afhankelijk van de goden en is de bevelstheorie dus ongeldig. 

Moraliteit kan niet worden afgedwongen. Een moreel leven wordt geleid omdat moraliteit wordt gewaardeerd, en niet om straf te vermijden of een beloning te ontvangen. 

Concluderend is de goddelijke bevelstheorie weinig overtuigend en niet algemeen geldend. In de eerste plaats moeten we namelijk in het bestaan van minimaal één god geloven. Daarnaast moeten we vooronderstellen dat goden goed zijn, en gezien de inhoud van veel religieuze geschriften kunnen we daar vraagtekens bij stellen. Moraliteit vereist verder een vrije keuze, maar dat verhoudt zich slecht met de term bevel. Verder is na vijfentwintig eeuwen nog steeds geen universeel acceptabele uitweg uit het Euthyphro-dilemma gevonden. 

2.2         Menselijke Geboden

Als de goddelijke bevelstheorie niet universeel toepasbaar is, kunnen door de mens genaakte regels dat dan wel zijn? De Engelse verlichtingsfilosoof Thomas Hobbes (1588 – 1679) heeft een materialistisch wereldbeeld. Hij gelooft niet in het bestaan van metafysische grootheden als de ziel of een persoonlijke god, maar alleen in natuurlijke oorzaken. Ethische concepten als goed en kwaad zijn naar zijn mening het gevolg van menselijke verlangens en ongenoegens, en een samenleving is het product van een sociaal ‘contract’ tussen mensen. 

Het sociaal contract is ontstaan uit menselijk eigenbelang, om de oorlog van allen tegen allen te beëindigen. De leden van een samenleving leveren hun vrijheid over aan een overheid die wetten en regels opstelt en handhaaft. Het ontstaan van menselijke regels is daarmee verklaard, maar hoe moeten die regels worden gezien? Als iets wat eeuwig vaststaat of als iets wat telkens opnieuw moet worden geïnterpreteerd? En zijn die regels wel effectief in het moreel sturen van ons gedrag?    

Als door letterlijk toepassen van de wet morele grondbeginselen in gevaar komen, dan moet van het onverkort toepassen van de wet worden afgezien. 

De Engelse rechtsfilosoof Herbert Hart (1907 – 1992) ontwikkelt in dit verband de theorie van het rechtspositivisme. Voor hem is de wet een vaststaande verzameling regels, die door een rechter rucksichtslos moet worden toegepast. Zijn leerling, de Amerikaan Ronald Dworkin (1931 – 2013), vindt echter dat het letterlijk lezen en handhaven van wetten simplistisch en verkeerd is. Het recht kan niet zonder een morele toetsing van de wet. Rechters moeten bij het wegen van juridische argumenten moraal gebruiken om te bepalen wat goed en slecht is. Als door letterlijk toepassen van de wet morele grondbeginselen in gevaar komen, dan moet van het onverkort toepassen van de wet worden afgezien. 

Sommige regels en wetten zijn nodig om een samenleving te laten functioneren, maar schieten soms hun doel voorbij. Een aantal jaren geleden werden ouderen in een serviceflat door de directie voor de rechter gedaagd. Ze bestelden op eigen kosten hun eigen maaltijden en dat mocht niet, want de serviceflat had een contract met een bedrijf voor de verstrekking van maaltijden. Het ging de directie dus niet om het onderliggende doel en het alleszins redelijke verlangen van de bewoners om lekker en wellicht gezond te eten. Het ging zuiver en alleen om het afdwingen van regels. 

Vaak en waarschijnlijk ook bij de directie van de serviceflat, heerst de gedachte dat wet- en regelgeving zorgt voor integriteit, want als de regels worden gevolgd dan wordt toch het goede bereikt? Maar in veel omstandigheden is dat niet het geval. Veel regels en richtlijnen zijn ooit bedacht met een doel voor ogen, maar dat doel is inmiddels vergeten en de regel handhaven is van middel tot doel geworden. Regels die hun eigen doel zijn geworden zijn echter zinloos en moeten worden ingetrokken. 

Als regels ontbreken, onhelder zijn of geen redelijk doel meer beogen, dan moeten we zelf oordelen en handelen op basis van onze persoonlijke waarden en algemeen aanvaarde normen. 

En de effectiviteit van regels dan? Oud-minister Ben Bot (1937) zei ooit dat regels onzin zijn. Tachtig procent van de mensen houdt zich namelijk hoe dan ook aan regels. Twintig procent houdt er zich dus niet aan, de helft sowieso niet en de andere helft omdat ze de straffen niet streng genoeg vinden. Maak je regels of sancties strenger, dan gebeurt het volgende. Van de twintig procent houdt tien procent zich uit angst voor de sancties nu wel aan de regel, maar van de oorspronkelijke tachtig procent vindt een achtste dat het te ver is gegaan met regelgeving en sancties, en houden zich er niet meer aan. Kortom, je schiet er niks mee op. 

Regels geven ons enige mate van houvast en kunnen ons daardoor helpen integer te handelen. Het is daarom belangrijk op de hoogte te zijn van de geldende wet- en regelgeving, alsmede van beroepscodes en de waarden en normen en waarden van de organisaties waar je werkt of waarvan je lid bent. Maar niet alles kan in regels worden vastgelegd en geregeld. Als regels ontbreken, onhelder zijn of geen redelijk doel meer beogen, dan moeten we zelf oordelen en handelen op basis van onze persoonlijke waarden en algemeen aanvaarde normen. 

 

3          Als je Bedoeling maar Goed is

Volgens scholastiek filosoof Petrus Abaelardus (1079 – 1142) kan een handeling zelf nooit goed of slecht zijn, want de dader heeft noch de gevolgen, noch het verloop van de daad in de hand. Hij of zij kan die handeling zelfs uitvoeren uit onwetendheid. Bij het moreel beoordelen van een handeling, gaat het volgens hem om de bewuste instemming met de daad door de dader, en dus om de intentie die hij of zij heeft bij het uitvoeren van die handeling.  

De deontologische ethiek is gebaseerd op de intentie bij een moreel oordeel over iemands gedrag. Een persoon handelt moreel goed als zijn of haar intentie overeenkomt met een ethisch motief of plicht. Eventuele consequenties van de handeling maken niets uit; een handeling kan zelfs goed zijn, ondanks dat die slechte gevolgen heeft. Vaak bestaat de plicht die we zouden moeten volgen uit een variant van de gulden regel: doe een ander niet aan, wat je ook zelf ook niet wilt ondergaan. 

Bij een moreel oordeel over een handeling, gaat het om de bewuste instemming met de daad door de dader zelf en dus om de intentie die hij of zij heeft bij die handeling.  

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804) ontwikkelt een op plicht gebaseerde ethiek. Een goede daad bestaat voor hem uit de overeenkomst van die daad met een morele regel, ongeacht wat de gevolgen of omstandigheden zijn. Hij verwoordt zijn categorische imperatief als leidende regel voor ons ethisch handelen als volgt:

  • Handel zodanig dat je zou willen dat je stelregel verheven wordt tot een universele natuurwet.
  • Handel zodanig dat je de mensheid, zowel in de persoon van jezelf als in die van elk ander, altijd tegelijk als doel beschouwt en nooit louter als middel.

Hypothetische imperatieven zijn daarentegen verplichtingen die een voorwaardelijk karakter of wisselend doel hebben. Als je honger hebt, moet je iets eten is bijvoorbeeld een hypothetische imperatief. Een belangrijk onderscheid is verder dat tussen handelen uit plicht en handelen in overeenstemming met die plicht. Een winkelier die zijn klanten niet bedriegt handelt conform zijn plicht, maar als hij dat slechts uit economisch eigenbelang doet, dan handelt hij niet ethisch. Zijn gedrag is moreel verwerpelijk, ongeacht de positieve gevolgen.

De deontologische ethiek kan in drie woorden worden samengevat: doe je plicht. Het nadeel van deze plichtsethiek is echter dat ze te strikt en te rigide is. Er treden namelijk problemen op wanneer ethische plichten tegen elkaar moeten worden afgewogen. Stel dat je in de tweede wereldoorlog onderduikers verbergt, en dat zij aan de deur komen met de vraag of je vluchtelingen huisvest.

  • Volgens de eerste formulering van de categorische imperatief, moet je het leven van de vluchtelingen redden, want dat zou je ook willen als jij een onderduiker zou zijn. Je mag de Duitsers dus niet de waarheid vertellen.
  •  Volgens de tweede formulering, mag je niet liegen omdat je de Duitsers dan als middel gebruikt om het leven van de onderduikers te redden. Je moet hun dus de waarheid vertellen.

 

 4          Het Doel Heiligt de Middelen

Voor het consequentialisme (gevolgenethiek) vormen de gevolgen juist wel de basis voor een moreel oordeel. Een handeling is moreel goed als die goede consequenties heeft, onafhankelijk van de intentie waarmee die daad is uitgevoerd. De kruidenier handelt dus altijd ethisch als hij of zij klanten niet bedriegt, ook al wordt het alleen maar gedaan vanuit welbegrepen eigenbelang.

Het principe dat gevolgen bepalend zijn voor moreel gedrag vinden we terug bij alle vormen van het consequentialisme. Maar de vraag welke gevolgen als ideaal moeten worden gezien, wordt verschillend beantwoord. Het hedonistische utilitarisme stelt bijvoorbeeld dat geluk het ultieme doel is, maar er kunnen ook zaken centraal worden gesteld zoals gelijkheid en politieke vrijheid, en het is ook mogelijk elementen te combineren tot één doel. 

Een handeling is moreel goed als die goede consequenties heeft, onafhankelijk van de intentie waarmee die daad is uitgevoerd. 

De bekendste vorm van het consequentialisme is het utilitarisme, met als geestelijke vader de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832). Ook voor hem hangt de morele waarde van een handeling af van de consequenties; de daad zelf komt niet in aanmerking voor een moreel oordeel. Het uiteindelijke doel of het ideale gevolg, is het bereiken van de grootst mogelijke hoeveelheid geluk voor de grootst mogelijke groep mensen. Als daarvoor een minderheid negatieve gevolgen moet ondervinden, dan is dat maar zo. Het utilitarisme is een ethiek waarbij het doel de middelen heiligt. 

Net als de deontologie biedt het utilitarisme een duidelijk criterium om te beoordelen wat moreel goed is. Toch is er veel kritiek. Het utilitarisme is namelijk een kwantitatieve benadering waarin meer altijd beter is dan minder. Dit terwijl er voor velen een duidelijk kwalitatief verschil is tussen de bevrediging van het verlangen om een studie te voltooien en de bevrediging om van elke maaltijd zoveel te eten als je wilt. De mogelijke consequentie van het utilitarisme dat de positie van individuen niet wordt beschermd wordt verder niet als moreel juist ervaren. Tot slot is de berekening van alle, al dan niet te kwantificeren, kosten en baten die bij een handeling betrokken zijn, een welhaast onmogelijke taak. 

Mede op basis van deze kritiek verzacht John Stuart Mill (1806 – 1873) het rigide karakter van het utilitarisme. Bij het bepalen van de hoeveelheid geluk moet ook kwaliteit als criterium in aanmerking worden genomen. Dit omdat het ene genot van nature waardevoller is dan het andere. “A dissatisfied Socrates is better than a satisfied pig.” Verder introduceert hij het schadebeginsel dat stelt dat iedereen vrij is om het eigen geluk op zijn of haar eigen manier na te streven, zolang hij of zij anderen hun geluk niet ontneemt of in de weg staat. We moeten dus die handeling kiezen die het meeste genot verschaft en die niet in strijd is met de menselijke natuur en waardigheid. Het schadebeginsel beschermt daarmee dus de positie van minderheden. 

Mill ontwikkelt ook een variant op het utilitarisme. Zijn regel-utilitarisme gaat uit van vuistregels. Iemand bijvoorbeeld feliciteren met zijn of haar verjaardag levert meer op dan het kost, en is dus moreel gezien goed. Het voordeel is dat daarmee de noodzaak wordt vermeden om telkens een uitgebreide en complexe calculatie te maken. Maar zoals bij elke regel is ook deze niet universeel van toepassing. Volgens sommige religies mag je namelijk geen verjaardagen vieren. 

 

5          Je Karakter moet Goed zijn

Eerder hebben we integriteit gedefinieerd als een karaktereigenschap. Het valt daarbij op dat de tot nu behandelde theorieën niet of nauwelijks aandacht besteden aan karakter en karaktervorming. Virtue ethics of deugdethiek doet dat wel. Ons karakter wordt gevormd door opvoeding en onderwijs, alsmede door het geven van goede voorbeelden. Daarmee worden zowel intellectuele als morele karaktereigenschappen ontwikkeld. De theorie rond de deugdethiek is ongeveer vijfentwintig eeuwen geleden ontwikkelt, zowel in het klassieke Griekenland als in China. 

5.1         Socrates: ken jezelf

“Een leven dat niet wordt onderzocht, is het leven niet waard.” Voor Socrates (469 – 399 BCE) is zelfkennis de voorwaarde voor een goed en gelukkig leven. Iemand die over de juiste kennis beschikt zal daarmee ook het juiste doen. Iedereen die kwade dingen doet, handelt dus of uit onwetendheid, of tegen zijn of haar geweten in en voelt zich daarom ongemakkelijk. Een goed leven gaat om het bereiken van de gemoedsrust die voortkomt uit het goede doen. Socrates verwerpt de opvatting dat concepten als deugd relatief zijn. Ze zijn absoluut en gaan op voor alle mensen. Er is voor hem maar één hoogste goed, en dat is kennis; en er is maar één kwaad, en dat is onwetendheid. 

5.2         Plato: volg je verstand

Plato (427 – 347 BCE) onderscheidt drie aspecten van de menselijke geest die hij vergelijkt met een wagenmenner achter een tweespan. De menner is het intellect, het redenerende en kennende deel. Binnen het tweespan, representeert het nobele paard passie, wil en doorzettingsvermogen, en het weerspannige paard trek, lust en driftleven. De menner heeft inzicht en overzicht. De paarden staan voor de dualiteit in het leven: gedisciplineerd en ongedisciplineerd. Het ene paard neigt naar het binnen de paden houden van het rijtuig, en het andere naar buiten de paden treden en driften volgen. Deze twee interacterende bewegingen in het leven kunnen niet zonder elkaar en wisselen elkaar voortdurend af om gezond vooruit te gaan.  

Om te voorkomen dat de menner met dolgedraaide of verroeste paarden de weg vervolgt, moet hij of zij zich ontwikkelen, en als een echte leider de teugels ter hand te nemen en weten wat hij doet. Wij allemaal ervaren van tijd tot tijd innerlijke conflicten, maar om die op te lossen moet het rationele deel van onze geest, net als de menner superieur zijn.  

Plato onderscheid vier kardinale deugden: wijsheid, dapperheid, bezonnenheid en gerechtigheid. Wijsheid is de deugd van de menner, dapperheid die van het weerspannige paard en bezonnenheid betreft de deugd van het nobele paard. Gerechtigheid bestaat in de harmonische verhouding van de drie functies en de daarmede samenhangende deugden. 

Ons karakter wordt gevormd door opvoeding en onderwijs, en door het geven of zijn van goede voorbeelden. Daarmee worden zowel intellectuele als morele karaktereigenschappen ontwikkeld.

5.3         Aristoteles: wees voortreffelijk

Waar Socrates stelt dan mensen alleen uit onwetendheid verkeerde dingen doen, wijst Aristoteles (384 – 322 BCE) er op dat er zoiets bestaat als wilszwakte. We kunnen iets slechts doen, wetende dat het fout is. We weten bijvoorbeeld dat we moeten opstaan om naar een afspraak te gaan, maar blijven toch bewust liggen om verder te slapen.  

De deugdethiek van Aristoteles is teleologisch. Wij handelen om een doel te bereiken, een doel dat we beoordelen als het goede. Het hoogste doel in het menselijk leven is een geslaagd leven, wat wordt gekenmerkt door:

  1. zo veel mogelijk plezier en zo min mogelijk pijn
  2. erkend of geëerd worden door anderen
  3. het kennende begrijpen.

 

Aristoteles vat deze kenmerken samen als optimale zelfverwerkelijking, en deugd is voor hem de meest voortreffelijke verwerkelijking van de menselijke rede. Deugd is dus geen handeling maar een karaktertrek, die maakt dat je overeenkomstig je karakter kiest voor het goede. Deugd is het midden tussen twee extremen. Het gaat daarbij niet om het midden tussen een beetje dapper zijn en heel erg dapper zijn, maar om het gulden midden tussen lafheid en overmoedigheid. Er is overigens geen sprake van een absolute positie; het gulden midden verschilt per situatie en per handelende mens. We kunnen deugdelijk handelen herkennen in het leven van anderen die ons tot voorbeeld zijn. 

5.4         Confucius: wees menselijk

Socrates, zijn leerling Plato en diens leerling Aristoteles leefden in het klassieke Athene. Ongeveer in dezelfde tijd ontwikkelt Confucius (551 – 479 BCE) in China een leer die als doel heeft een stabiele en vreedzame samenleving te creëren. Als mensen onderling goed met elkaar omgaan is de samenleving als geheel harmonieus. We moeten daarom anderen met hetzelfde respect bejegenen zoals we zelf ook behandeld willen worden. Verder moeten we niet preken en spreken over deugdzaamheid, maar het zelf in de praktijk brengen. Door het goede voorbeeld te geven en een fatsoenlijke persoon te zijn zullen anderen ons voorbeeld volgen. 

Ieder mens ongeacht zijn achtergrond en situatie, is in staat te leren en zichzelf te perfectioneren. Dit vereist wel inspanning en oefening, en een wijs persoon is daarom nooit jong; levenservaring is noodzakelijk op de weg naar het bereiken van de zes deugden die iemand tot een goed mens maken. 

·        Ren (menselijkheid)

Menselijkheid en wederzijds respect zijn de basis voor moreel gedrag. Houd bij het maken van een beslissing rekening met iedereen die daarvan gevolgen ondervindt, zodat de beslissing aan allen ten goede komt en niet slechts het belang van één persoon, familie of land dient.

·        Yi (rechtvaardigheid)

Handel niet uit alleen uit eigenbelang. Handel voor het grote goed, zoals gezin, familie of maatschappij. Een rechtvaardig persoon beschouwt het belang van anderen als zijn of haar eigenbelang. 

·        Li (fatsoen)

Door anderen fatsoenlijk en hoffelijk te benaderen, niet overhaast te handelen en niet te spreken zonder eerst na te denken, voorkom je conflicten en bereik je een harmonieuze verstandhouding. Dit geldt onder gezinsleden, tussen families en voor verschillende naties.

·        Chung (trouw)

Trouw betekent loyaliteit aan je land, de organisatie waarin je werkt of waarvan je lid bent en je gezin. Oefen taken uit die aan de gemeenschap ten goede komen of verricht diensten die niet van overheidswege worden voorzien.

·        Shu (wederkerigheid)

Mensen zijn individuen, maar ook verwikkeld in sociale relaties. Elke relatie houdt wederzijdse verstandhouding, handelingen en verplichtingen in. Zo moeten kinderen hun ouders gehoorzamen, maar moeten ouders ook hun rol vervullen door het kind op te voeden en met liefde te behandelen. Op een hoger niveau betekent dit dat wij als burgers loyaal aan ons land moeten zijn en de wetten naleven. Anderzijds moet de overheid van haar kant de burger veiligheid, economische stabiliteit en rechtvaardigheid garanderen.  

De edele persoon is het rolmodel voor de moreel hoogstaande mens. Zijn of haar voorbeeld doet anderen volgen, waardoor maatschappelijke harmonie wordt gecreëerd. Deze persoon wordt gedreven door medemenselijkheid, en voegt daarmee een morele norm toev aan de oorspronkelijke betekenis van het woord edel. Het is niet belangrijk wat je bezit of zegt, het enige wat telt is dat wat je doet. 

 

Confucius, Socrates, Plato en Aristoteles leefden vijfentwintig eeuwen geleden. In de twintigste eeuw van onze jaartelling is er echter een opleving van de idee dat ethiek gebaseerd moet zijn op deugden. Dit is het resultaat van het werk van onder andere Philippa Foot (1920-2010) en Elizabeth Anscombe (1919-2001). Er is echter ook een fundamentele kritiek op de deugdethiek mogelijk. Het beschrijven van goede eigenschappen en het stellen van voorbeelden geeft anders dan deontologie en utilitarisme geen richting over hoe te handelen in een specifieke situatie. Deugden kenmerken de persoon en geven inzicht in de achtergronden van iemands handelen, maar creëren geen maatstaf om dat handelen te beoordelen.

 

6          Integer worden en integer blijven

Regels, of ze nu voortvloeien uit door mensen bedachte wet- en regelgeving of gebaseerd zijn op deontologische of consequentialistische uitgangspunten, kunnen houvast bieden bij het nemen van beslissingen over hoe te handelen in een specifieke situatie. Dergelijke regels zijn echter niet altijd en niet in alle gevallen universeel van toepassing. Anderzijds zijn goede karaktereigenschappen (deugden) wellicht universeel – zoveel verschil zit er niet tussen de inzichten van Aristoteles en Confucius –, maar geven ze geen concrete aanwijzingen over hoe te handelen. 

Rest nog mijn centrale vragen over wat integriteit is, en hoe we integer kunnen worden en blijven? Mijn antwoord is gebaseerd op drie uitgangspunten:

  • Integriteit is een keuze, en kan dus niet worden afgedwongen. We zijn allemaal vrij, en het is aan ons om het goede te kiezen. Dus kies en blijf kiezen.
  • Integriteit is een zoektocht; een universele eeuwig durende moraal bestaat niet. In een concrete situatie kun je uitgaan van vuistregels, maar je moet je iedere keer afvragen of die in een specifiek geval de juiste handeling voorschrijven. Dus zoek en blijf zoeken.
  • Integriteit is een voorbeeld hebben en een voorbeeld zijn. Laat anderen in woord en daad zien dat je integer bent, en kijk wat je van anderen kunt leren. Dus wees een voorbeeld en leer van voorbeelden.

 6.1         Integriteit is een Keuze

Volgens de Franse existentialistische filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980) gaat het bestaan (existentie) van een persoon vooraf aan de essentie (wezensbepaling). Hij bedoelt daarmee dat de mens éérst bestaat en in de wereld verschijnt, en zich daarná bepaalt. Dat de mens onbepaald is, komt doordat hij aanvankelijk nog niets ís; hij of zij kan alleen iets wórden. Een mens is niet zomaar een ding met eigenschappen, maar ervaart en interpreteert zichzelf voortdurend. Een mens is dus wat hij of zij van zichzelf maakt. 

Integriteit is een keuze en kan niet worden afgedwongen. We zijn allemaal vrij, en het is aan ons om het goede te kiezen.  

De mens heeft dus geen vaste oorsprong en geen onveranderlijk doel. Wij moeten onszelf vormen en zijn verantwoordelijk voor onszelf. De enige constante in de wereld is het voortdurende proces van veranderen. Door onszelf te verwerkelijken kiezen we tussen de alternatieven die voor ons open staat, en wij moeten persoonlijk verantwoordelijkheid nemen voor die keuze. Een van die alternatieven is integriteit, en daarom is integriteit een keuze. 

6.2         Integriteit is een Zoektocht

Voor de Amerikaanse pragmatistische filosoof John Dewey (1859 – 1952 BCE) is een mens een handelend en lerend wezen. Daarbij is de mens ondenkbaar zonder zijn sociale context. Al onze ervaringen zijn opgebouwd in die omgeving. Bij alles wat we overwegen, kunnen we niet anders dan die sociale context meenemen. Een individu staat niet tegenover de gemeenschap, maar is deelnemer in die gemeenschap; een mens is niet denkbaar in isolement. 

Integriteit is een zoektocht; een universele eeuwig durende moraal bestaat niet. In een concrete situatie kun je uitgaan van vuistregels, maar je moet je iedere keer afvragen of die in een specifiek geval de juiste handeling voorschrijven.

Elke samenleving kent een gewoontemoraal. Deze is niet gebaseerd op vaststaande uitgangspunten maar heeft zich evolutionair ontwikkeld om de samenleving werkbaar te houden. Een ethische discussie ontstaat wanneer veranderingen optreden, veroorzaakt door externe invloeden of interne ontwikkelingen. Ethiek is dus een zoektocht naar wat nastrevenswaardig is. Kenmerkend voor een morele handeling is dus dat zij het resultaat is van een voorafgaande deliberatie. 

Tijdens het deliberatieproces worden principes en morele theorieën gebruikt als instrument om bij te dragen aan het proces. Wet- en regelgeving , consequentialisme en deontologie kunnen hierbij een rol spelen. Iedere keer wordt de waarde van een waarde of norm echter bepaald door bij voorkeur gezamenlijk maar als het niet anders kan alleen, te beoordelen of deze warde of norm bijdraagt aan de oplossing van het specifieke probleem. De vraag naar de adequaatheid van waarden en normen kan dus niet los worden gezien van het doel dat we nastreven. De eerste vraag moet daarom zijn: wat beschouwen we als een goede samenleving? Pas dan kan de zoektocht naar integriteit beginnen. 

6.3         Integriteit is een Voorbeeld

We hebben het expliciet gezien bij Aristoteles en Confucius. Als het over integriteit gaat is een voorbeeld hebben en een voorbeeld zijn van groot belang. Beter dan het formuleren en schriftelijk vastleggen van richtlijnen is dat we in woord en daad laten zien dat we integer zijn. Laat zien dat integer handelen een kernwaarde je is, die niet alleen met je mond belijdt maar waarnaar je in de dagelijkse praktijk leeft. Hoe zou zo’n voorbeeld er uit kunnen zien? 

  • Je vertelt een eerlijk verhaal dat strookt met de realiteit
  • Je geeft de feiten op een heldere en juiste manier weer
  • Je vertelt geen halve leugen en ook geen halve waarheid
  • Je houdt geen informatie achter die relevant zou kunnen zijn
  • Je verstrekt aan iedere betrokkene dezelfde informatie
  • Je zegt wat je doet en je doet wat je zegt
  • Je bent niet chantabel of gevoelig voor frauduleuze handelingen
  • Je bent niet gevoelig voor steekpenningen of anderszins corrupt
  • Je gaat vertrouwelijk om met aan jou toevertrouwde informatie
  • Je bent niet ontvankelijk voor machtsvertoon of voor manipulatie
  • Emotionele chantage is je vreemd
  • Je bent aanspreekbaar op de verantwoordelijkheden die je draagt
  • Je bent zorgvuldig en je kunt reflecteren op je gedrag.

 Integriteit is een voorbeeld hebben en een voorbeeld zijn. Laat anderen in woord en daad zien dat je integer bent, en kijk wat je van anderen kunt leren. 

 

John Greijmans

Rotterdam, december 2019